Posts Tagged ‘genootschap sint jacob’

Camino de Santiago

augustus 21, 2008

Codex Calixtus

Al sinds de middeleeuwen gaan er jaarlijks veel pelgrims naar Santiago de Compostela. De meesten te voet, sommigen per fiets en een enkeling met paard of muilezel. In juni 2008 was ik één van hen. Niet zozeer een pelgrim in de echte betekenis van het woord, het was voor mij geen echte bedevaart, maar je voelt je toch sterk verbonden met iedereen die deze tocht maakt of gemaakt heeft. Je beseft dat je over een route rijdt die al 1.000 jaar door pelgrims wordt afgelegd.
In 1140 is de Codex Calixtus gepubliceerd. Dit boek wordt gezien als de eerste officiële gids voor pelgrims die de tocht naar de relieken van Sint Jacobus wilden maken. De legende wil dat in 813 de stoffelijke resten van de apostel Jacobus de Meerdere, in het jaar 42 na Chr. onthoofd in Palestina, in een boot strandden op de kust van Galicië, nu een provincie in het noordwesten van Spanje. De relieken werden in een zilveren kist bewaard en deze kist is nog steeds te zien in de kathedraal van Sint Jacob in Santiago. De naam Santiago is een samentrekking van San(t) Iago, wat Sint Jacob (in Castiliaans San Jacobeo) betekent. De toevoeging Compostela betekent ‘sterrenveld’ (campos stella) en verwijst naar de ster die naar de plek wees waar het bootje was gestrand. Er zijn ook andere varianten van deze legende, maar alle komen ze er op neer dat in de zilveren schrijn in de kathedraal van Santiago de botten van Sint Jacob liggen, reden genoeg om van die plek een pelgrimsoord te maken. En dat is het nog steeds. Dagelijks melden zich tientallen pelgrims bij het Pelgrimsbureau in Santiago om daar te worden ingeschreven in het register en een getuigschrift te ontvangen. De afgelopen tien à vijftien jaar is er sprake van een duidelijke opleving van de belangstelling voor de Camino. Op internet is er uiteraard van alles over te vinden. Wie vragen heeft over de voorbereiding van deze fietstocht kan hier nadere informatie vinden; daar staan ook veel links naar internationale sites.

Met el Camino(de weg) wordt veelal de Camino Francés bedoeld. Deze route naar Santiago is het vervolg op drie Franse aanvoerroutes uit St. Jean Pied-de-Port aan de voet van de Pyreneeën. Hier komen de drie Franse routes samen, de voie de Vézelay, de voie de Tours en voie du Puy, genoemd naar oude steden in midden Frankrijk.

Voie de Tours en Camino Frances

Voie de Tours en Camino Frances

De route via Vézelay heeft Aken/Maastricht als (een van de vele) startpunt. Sommigen verklaren Sint Jacobiparochie als startpunt. Als één van de startpunten voor de route via Tours geldt de Sint Jacobskerk in Haarlem.
De Camino Francés begint in Puente la Reina. Daar smelten weer twee routes samen; de route uit St. Jean-Pied-de-Port in het noorden en de Camino Aragonés uit het oosten, die in Frankrijk de voie d’Arles heet en de Pyreneeën oversteekt via de col du Somport. Samen gaan ze verder als Camino Francés. Er staat in Puente la Reina een metalen pelgrimsbeeld dat de samensmelting van de routes markeert.

Vele wegen leiden naar Santiago de Compostela

Vele wegen leiden naar Santiago de Compostela

Ik heb de ‘Haarlemse’ route via Tours, St Jean Pied-de-Port en Puenta la Reina naar Santiago per fiets afgelegd. In totaal zo’n 2.600 kilometer. Waarom? Omdat ik gevraagd werd en omdat het me –na enig overleg en nadenken- een geweldige uitdaging leek. Op 31 mei vertrokken Arjan van de Poel en ik; op 1 juli kwamen we in Santiago aan.

Aan de voorbereiding van onze Camino heb ik veel tijd besteed. De route (Haarlem – Santiago) is uitstekend beschreven in een drietal boekjes, maar er viel nog veel te kiezen, te plannen en te regelen. Zoals: waar te overnachten? Gaan we onderweg zelf koken? Hoe komen we terug? Wat nemen we mee? Hoe lang gaan we erover doen? Maken we een planning of zien we wel waar we elke dag uitkomen? Uiteindelijk waren onze keuzes: We vertrekken op 31 mei, op 6 juli vliegen we terug, we overnachten in principe op een camping en we koken zelf tenzij we er toch voor kiezen uit eten te gaan. Per dag rijden we gemiddeld 90 à 100 kilometer en we houden een rustdag in Chartres, St. Jean Pied-de-Port, Burgos en León.

Onze fietstocht is meer dan uitstekend verlopen. Het eerste deel, tot aan Chartres, is minder interessant. Je rijdt door België en noord Frankrijk en daar is weinig te beleven. Met uitzondering van een paar mooie Vlaamse steden, vooral Mechelen, en een prachtig fietspad in Vlaanderen. Dit fietspad is aangelegd op de plek waar vroeger de spoorlijn Londerzeel – Aalst liep en gaat vervolgens over in een jaagpad langs de Dender. Dit jaagpad is op Vlaams grondgebied prachtig aangelegd en onderhouden, maar het is in Wallonië een regelrechte ramp voor fietsers. De grens tussen Vlaanderen en Wallonië is haarscherp te zien: een metalen richel dwars over het jaagpad markeert de grens tussen een breed, geasfalteerd fietspad en een smal zandpad, vol kuilen met modder, bezaaid met grote en kleine keien.

Kamperen op een natte camping in noord Frankrijk

Kamperen op een natte camping in noord Frankrijk

In noord Frankrijk worden we kletsnat omdat we een onweersbui verkeerd inschatten en we –nog onervaren als we zijn- onze regenkleding te laat ontdekken. We overnachten deze keer in een hotel, want veel, zo niet alle bagage is nat; de gele regenhoezen over onze tassen bleken niet bestand tegen een onweersbui. Tot overmaat van ramp rijden we die dag ook nog behoorlijk verkeerd. We vergeten ons kompas te gebruiken en ontdekken na 25 kilometer dat we de verkeerde kant op rijden. Goede lessen voor het vervolg van onze tocht. Je bent nooit te oud om te leren.

Na Compiègne wordt het terrein wat heuvelachtig. Maar het weer is goed en we hebben wind in de rug. We rijden iets ten westen van Parijs naar Chartres. Daar belanden we op de camping en besteden we een dag aan een bezoek aan de stad en haar kathedraal. Het is ook onze eerste wasdag. De kleding die we bij ons hebben is minimaal. Een paar fietsbroeken en fietsshirts, drie stel ondergoed/kousen en één nette broek en één nette blouse. Er moet dus regelmatig gewassen worden.

Vanaf Chartres wordt de route interessanter. Echte Franse dorpen en steden. De ‘Haarlemse’ route volgt in beginsel de binnenwegen. Vrijwel nergens rijd je over een route national (een N-weg). Dat betekent enerzijds rustige wegen door een mooi landschap, maar ook een langere weg en goed opletten waar je linksaf of rechtsaf moet. De route is tot in het kleinste detail beschreven, het kan dus niet fout zou je denken. Maar omdat ik niet altijd goed oplet, rijd ik wel ‘ns verkeerd. Mijn compagnon fietst een ander tempo en daarom fietsen we vrij weinig zij aan zij. Meestal lig ik een stuk voor, vaak uit zijn zicht. Dat gevoegd bij mijn onoplettendheid vraagt om problemen. Ik rijd weer ‘ns verkeerd en we raken elkaar kwijt. Dan moet telefonisch contact ons weer samenbrengen. Tip voor degenen die overwegen dezelfde tocht te ondernemen: als je niet samen rijdt, spreek dan met elkaar goed af waar wordt gestopt om op elkaar te wachten. En dat ‘waar’ moet dan concreet benoemd zijn. Bijvoorbeeld “vóór de kerk in Vendôme” lijkt concreet genoeg, totdat blijkt dat er in Vendôme wel drie kerken zijn.

Omdat we lid zijn het Nederlands Genootschap van Sint Jacob, zijn we officieel ‘pelgrim’ en hebben we een pelgrimspas, ook wel credential genoemd. Dat is een bewijs van lidmaatschap en tegelijk een stempelkaart. Er is plaats voor wel 60 stempels, in het Spaans: ‘sellos‘. Het bewijs van lidmaatschap (pelgrim zijn) leidt tot allerlei vormen van voorkeursbehandeling: je mag binnen waar anderen buiten moeten blijven, je krijgt (vaak) korting op campings of in hotels, je kunt slapen in een van de vele Spaanse refugios of in ’n Franse refuge/alberge en in Spanje kun je voor acht euro een fantastisch pelgrimsmenu (drie gangen, mét een fles wijn) bestellen.

Het verzamelen van stempels heeft als belangrijkste doel het verkrijgen van een getuigschrift, het compostolaat. Het is te vergelijken met verzamelen van stempels tijdens de Elfstedentocht.

Stempels in mijn pelgrimspas

Stempels in mijn pelgrimspas

Deze stempels zijn overal te krijgen: op campings, gemeentehuizen, in kerken, VVV’s, refugios, hotels, kroegen en ga zo maar door. Naarmate je dichter bij Santiago komt is men er meer op voorbereid dat je een stempel komt halen. Met deze stempels (allerlei formaten en afbeeldingen) in je pelgrimspas wordt dat een uniek document. Er zijn zoveel stempels te halen (1226 stuks op alleen al de Camino Francés) dat geen twee pelgrimspassen identiek zijn. Zelfs als je samen op weg bent is er grote kans dat de stempels die je verzamelt niet allemaal dezelfde zijn. In totaal verzamelde ik 56 stempels. De eerste is van de gemeente Laarbeek, de laatste kreeg ik in de kathedraal in Santiago.

Na precies twee weken fietsen komen we aan in St. Jean Pied-de-Port. Deze plaats is de startlocatie voor veel pelgrims die te voet naar Santiago gaan. Een enkeling loopt vanaf huis naar Santiago (ook vanuit Nederland), maar de overgrote meerderheid van de wandelaars begint in St Jean of op een later punt op de Camino, bijv. Puente la Reina. We blijven een dag om er rond te kijken. Alles in het dorp staat in het teken van de Camino. Dan moeten we beslissen wanneer we de Pyreneeën over gaan. Dat betekent een klim van 24 kilometer die voert van een hoogte van 200 meter naar de Col d’Ibañeta op 1057 meter. Zo’n klim moet je niet ondernemen bij slecht weer. De dag dat we gaan is een twijfelgeval. De weersvoorspelling is hoopvol (bewolkt, naar droog) maar de praktijk valt tegen. Op de col is het koud (9 graden), nat en grijs. De klim valt qua inspanning wel mee, maar de kou en de regen zijn spelbrekers. We besluiten niet te overnachten op de camping of in een refugio in Roncesvalles (3 km ná de col), maar af te dalen naar Pamplona, 50 kilometer verderop. De afdaling is nat en dus riskant. Maar we redden het –ondanks dat mijn compagnon tijdens de afdaling is gevallen- en we vinden onderdak in het bisschoppelijk seminarie, midden in Pamplona. Het seminarie is van buiten gerestaureerd en van binnen is het een refugio. Een refugio is feitelijk alleen een verzameling stapelbedden en een douche/toiletruimte. Iedereen die een credential heeft kan er één nacht slapen (à circa zeven euro). Maar verder is er niks. De openstelling is vanaf ’s middags een uur of vier en om acht uur ’s morgens moet iedereen weer weg zijn. Soms krijgen voetgangers voorrang op fietsers bij de verdeling van de beschikbare bedden. Je krijgt een bed toegewezen op volgorde van binnenkomst; er is (meestal) geen onderscheid man/vrouw. Alle ruimtes zijn gemeenschappelijk, enkel de douche is privé. Er is een strikte avondsluiting, om 22.00 (soms iets later) gaat de poort dicht en iedereen wordt verzocht altijd de rust te bewaren. We hebben in Spanje regelmatig in een refugio overnacht. Soms, als we wat meer op ons zelf wilden zijn, het gesnurk van de medebewoners van de slaapzaal zat waren of als we wilden wassen, kozen we voor een camping.

In Pamplona is het weer echt Spaans, blauwe luchten en aangename temperaturen. Dat kan ook anders. In de maanden april en mei is het in noord Spanje erg slecht weer geweest; veel regen en wind. In de zomer kan het er erg heet zijn. Beide weersomstandigheden beïnvloeden het fietsen enorm. Wij hadden het geluk dat we prima fietsweer hadden. Maar onder andere weersomstandigheden kan het behoorlijk afzien worden. Ook had ik het geluk dat ik geen materiaalpech had. Uiteraard lag dat primair aan de kwaliteit van m’n fiets (met dank aan Piet van de Berg), maar we hebben gezien dat het ook anders kan. Zeker twee keer hebben we Nederlanders gesproken die een achterwiel hadden moeten vervangen. Ik moet er niet aan denken met een kapot achterwiel ergens op de Spaanse hoogvlakte te staan, ’s middags om drie uur, met 35 graden op de thermometer en zonder enige schaduw. Maar gelukkig is deze pech ons bespaard gebleven.

Na Pamplona volgt de streek waar de Rioja wijn vandaan komt. Onderweg is er zelfs een bodega waar een –gratis- wijnkraantje is. Helaas is het erg zuinig afgesteld en duurt het vol druppelen van een bidon wel een half uur. Ik heb drie bidons bij me. Drie liter water. Nodig omdat onderweg regelmatig drinken een ‘must’ is. Net zoals eten. Ik heb altijd bananen, appels of peren bij me. En bovendien ‘iets zoets’ om te eten. In Frankrijk pain au chocolat of pain au raisin. In Spanje soortgelijke ‘koeken’, waarvan ik de namen inmiddels ben vergeten.

We passeren eerst Puente la Reina en daarna Logroño. In Puente la Reina (Koninginnebrug) ligt een van de beroemdste bruggen van de route. Deze brug over de Río Arga werd in opdracht van Doña Mayor, koningin van Navarra, in de 11e eeuw gebouwd om het voor de pelgrims gemakkelijker te maken de rivier over te steken.

Brug over de Rio Arga in Puente la Reina

Brug over de Rio Arga in Puente la Reina

Vanaf Logroño begint de Spaanse hoogvlakte, op 500 meter hoogte. Onderweg bezoeken we enkele oude monasterios. De ‘Haarlemse’ boekjes geven allerlei informatie over bezienswaardigheden onderweg. Zeer de moeite waard om er tijd voor vrij te maken. Bijvoorbeeld de kathedraal van Burgos, het monasterio Yuso of het monasterio in Nájera.

Burgos, en in het bijzonder de kathedraal is fenomenaal. Maar ook de kleine Spaanse dorpen en steden zijn geweldig. Het leven ligt er compleet stil tussen twee en vijf, maar na vijven begint het te bruisen. Iedereen is op straat en vooral op de vele pleinen, de Plaza’s. Met het Plaza Major als hét belangrijkste plein, waar iedereen zit, loopt, speelt, drinkt of eet. Tot laat in de avond. Een Spaans restaurant opent zijn deuren pas om negen uur ’s avonds.

Na de Spaanse hoogvlakte nadert de grens van de provincie Galicia. Op de camping in Portomarin ontmoeten we een heel stel andere Nederlandse pelgrims. De meesten hebben we onderweg al vaker gezien en gesproken. Het is opmerkelijk hoe dat gaat onderweg. Je ontmoet mensen waaraan je ziet dat ze langeafstandsfietsers zijn. Op campings, maar ook onderweg of op een terras. Afhankelijk van de omstandigheden en je eigen opstelling raak je al dan niet meteen aan de praat. De meesten blijken ook onderweg naar Santiago, maar er zijn er ook die op de terugweg zijn, of die stoppen in zuid Frankrijk. Op een of andere manier werkt ’t zo dat je elkaar regelmatig ziet, zonder daar afspraken over te maken. In ons geval kwamen we onze collega-pelgrims uit Zwolle, Breda, Emmen, Warnsveld en niet te vergeten Akersloot regelmatig tegen. Soms zie je iemand een paar dagen niet en plotseling sta je samen op een plein in bijv. het Spaanse Viana. Geen idee hoe ’t werkt, maar het is wel bijzonder en het creëert een band.

Tijdens de voorbereiding was de reactie van sommigen dat we de Pyreneeën over moesten en dat dat wel erg zwaar zou zijn. Een enkeling sprak zelfs zijn twijfel uit. “Ben benieuwd of je ’t wel haalt.” Inderdaad, de col in de Pyreneeën is een flinke klim, maar zeker niet de laatste of de ergste. Hoe moeilijk de klim voelt hangt natuurlijk ook af van ’t weer, maar op de grens van de provincies Castilla y León en Galicia liggen twee flinke cols direct na elkaar. Vanaf León (800 meter) ga je eerst geleidelijk naar 900 meter en daarna volgt (vanaf Astorga) een klim naar 1505 meter hoogte. Deze col heet de Cruz de Ferro, het hoogste punt in de hele Camino. Daar staat een lange houten paal met een ijzeren kruis er bovenop.

Cruz de Ferro

Cruz de Ferro, op 1505 meter

Onder aan de paal ligt een gigantische berg stenen. Het verhaal gaat dat deze stenen zijn neergelegd door pelgrims. Ik vraag me dat af, maar zeker is dat vrijwel iedere pelgrim er een steen (soms wat anders) achter laat. Het gaat erom dat je vanuit huis een steen(tje) meeneemt op reis en dat je die steen toevoegt aan de grote hoop die er al ligt. Deze steen is de belichaming van alle lasten (zonden zeggen sommigen) die je tijdens je leven op je schouders hebt gekregen en die je daar achter laat. Hoe je er ook over denkt, het is erg indrukwekkend en heel speciaal om zelf de steen die je al weken in je bagage hebt zitten, dáár neer te leggen.

Cruz de Ferro, een hoop stenen langs de weg...

Cruz de Ferro, een hoop stenen langs de weg...

Na het Cruz de Ferro (er is verder niks, behalve een klein kapelletje) volgt een kilometers lange afdaling naar Ponferrada op 530 meter. Je daalt dus bijna 1.000 meter over een brede asfalt weg. Het is dan constant remmen om te voorkomen dat je te hard gaat. Mijn maximum snelheid was 63,8 km/uur. In Ponferrada is een grote burcht van de Tempeliers. Deze omstreden ‘ridders’ bewaakten in de middeleeuwen de Camino. Ze probeerden te voorkomen dat pelgrims door struikrovers werden overvallen en beroofd. Behalve kloosters (monasterios), kerken en burchten langs de route zijn er ook veel oude ziekenhuizen. In deze hospitals werden pelgrims verpleegd die onderweg ziek geworden waren of andere lichamelijke problemen hadden gekregen. Kapotte voeten, verwondingen of erger. Nu hebben de meeste oude ziekenhuizen (als ze er nog zijn) een andere bestemming: vijf sterren hotel, refugio of nog wat anders. Vanaf Ponferrada gaat het weer omhoog naar 1.300 meter. Daar ligt het dopje O’Cebreiro. De bergpas ligt iets verder op 1337 meter, de col de Poyo op de Alto San Roque. Hier staat ook een van de bekendste pelgrimsbeelden van de hele route. Overal kom je wel beelden tegen van pelgrims, maar dit is een van de grootste beelden. Het stelt een pelgrim voor die in zwaar weer op weg is naar Santiago.

El peregrino, Alto san Roque, nabij O'Cebreiro

El peregrino, Alto san Roque, nabij O'Cebreiro

Het kan op zowel de Cruz de Ferro als op de Alto San Roque behoorlijk slecht weer zijn. De omgeving ziet er opmerkelijk groen uit en het is goed mogelijk dat je midden in de zomer er in de dichte mist staat.

Wij hadden fantastisch weer en een geweldig uitzicht, maar pelgrims één dag na ons moesten door de mist (en kou) naar boven klimmen en tot ze boven de wolken waren. Hun uitzicht was een grote witte wolkenzee onder een blauwe lucht.

Het weer in Galicia lijkt op het weer in het Franse Bretagne. Ook de streek zelf heeft Bretonse trekken. Niet vreemd, want in beide streken hebben jarenlang de Kelten gewoond. Je moet dan ook niet vreemd opkijken als je in Galicië doedelzakmuziek hoort en allerlei Keltische voorwerpen ziet. De naam van de Spaanse voetbalclub ‘Celta de Vigo’ verwijst ook naar de Kelten.

Na de passage van de col de Poyo gaat het weer rap naar beneden, naar ongeveer 400 meter. Weer een lange afdaling. Goed dat ik extra remblokjes bij me had. Vervolgens is het weer stijgen (tot soms weer 700 meter) en dalen. Het venijn zit duidelijk in de staart. Maar gelukkig is de weg in de ‘Haarlemse’ boekjes altijd goed aangegeven. De voetgangers hebben het helemaal gemakkelijk. Vanaf Puente la Reina staan ‘overal’ gele pijlen.

Overal gele pijlen...

Overal gele pijlen...

Meestal slordig geschilderd op het wegdek of op de muur van een huis of een schuur. Op punten waar de fietsroute de wandelroute volgt kun je dus erg gemakkelijk de weg vinden. Volg de gele pijlen en je komt in Santiago. Deze gele pijlen zijn in de jaren ’80 aangebracht op initiatief van Elias Valiña, de pastoor van O’Cebreiro in samenwerking met de Asociacion de Amigos del Camino de Santiago en Navarra. Probleem is wel dat de wandelroute een zand/grindpad is. Soms breed. Soms smal. En naarmate je dichter bij Santiago komt drukker met wandelaars. Niet iedereen begint zijn Camino in Puente la Reina of nog eerder. Het wegdek van de wandelroute is op enkele plekken redelijk voor fietsers. Vaak niet. Maar ook op plaatsen waar het redelijk is loop je een groot risico. Een kapotte band of -erger- een geknapte spaak heb je al snel opgelopen.

De afdaling van de col de Poyo eindigt in Sarría en daarna volgen nog een paar plaatsen, zoals Portomarin, Melide en Arzúa. Vanaf Arzúa is het nog maar 40 kilometer naar Santiago de Compostela.

Santiago heeft een middeleeuws centrum met er om heen een doodgewone stadsbebouwing. Het centrum is heuvelachtig: geen enkele straat loopt vlak. De kathedraal van Sint Jacob staat wat aan de rand van het centrum aan een groot plein. Op het plein veel pelgrims. In het pelgrimsbureau vlakbij kun je na overlegging van een geldige pelgrimspas met voldoende stempels een getuigschrift krijgen. In het Latijn, en met ook je (doop)namen in het Latijn.

Elke dag is er om 12:00 uur een pelgrimsmis. Als je geluk hebt kun je dé attractie meemaken. Het zwaaien met een enorm groot wierookvat, het botafumeiro. Dat vat hangt aan een dik touw en een stuk of tien mannen trekken aan dat touw, waardoor het 1,60 meter hoge vat van links naar rechts door de kerk zwaait. Het lijkt door het dak van de kerk naar buiten te vliegen. Op Youtube staat mijn filmpje van het spektakel.

In de middeleeuwen werd met het vat gezwaaid om de enorme stank van de honderden pelgrims in de kerk te verdrijven.

’s Avonds is het centrum van Santiago vol van pelgrims en touristen. Op het grote plein voor de kathedraal, onder de galerij zingt (vaak) een tuna. Dit is een groep muzikanten (men zegt studenten van de universiteit) die met gitaar en andere instrumenten begeleid soepele Spaanse liederen zingt. Geweldig sfeervol.

Voor de échte pelgrim eindigt de Camino niet in Santiago, maar in Fisterra (Finisterre), het meest westelijke puntje van Spanje en -ik vermoed- van heel Europa. Dat ligt hemelsbreed 80 km ten westen van Santiago. Wij gingen er heen per bus (2,5 uur, met slechts een paar stopplaatsen). De traditie wil dat pelgrims op dit Einde-van-de-wereld punt hun pelgrimskleren én hun schoenen verbranden. Ik heb er wat oud ondergoed verbrand in een daarvoor aangelegde stookplaats.

Hiermee eindigde mijn Camino.

Soms is de Camino een breed steenslagpad...

Soms is de Camino een breed steenslagpad...

De bus bracht me terug naar Santiago en de volgende dag vloog ik om half twaalf naar Londen/Stansted en die middag om vijf uur naar Eindhoven. De terugreis naar Beek en Donk duurde alles bij elkaar minder dan tien uur.

Al met al een geweldig mooie ervaring. Ik moedig iedereen aan de fiets te pakken en de Camino te volgen. Er zijn behalve reisgidsen ook verschillende boeken over de Camino geschreven: Pelgrimstocht naar Santiago (Paulo Coelho) en Omweg naar Santiago (Cees Nooteboom). Op internet is uiteraard van alles te vinden. Mijn complete reisverslag staat op internet.